Wat is diabetes?
Diabetes is een ziekte waarbij het lichaam niet of onvoldoende in staat is de glucose uit het voedsel op te nemen als energiebron in de cellen. De aandoening ontstaat wanneer de alvleesklier te weinig of helemaal geen insuline - een levensnoodzakelijk hormoon - produceert, of wanneer de alvleesklier de insuline wel produceert maar het lichaam er resistent voor is geworden.
Insuline, een levensnoodzakelijk hormoon
Insuline is een hormoon dat in de bètacellen van de eilandjes van Langerhans
in de alvleesklier wordt geproduceerd om de energie uit de voeding vrij te
maken. Dankzij de insuline is het lichaam in staat de glucose uit de opgenomen
voeding vrij te maken, ze op te slaan en vervolgens te gebruiken wanneer het
de glucose voor zijn normale werking nodig heeft.
De glucosespiegel in het bloed moet stabiel blijven
Het normale stofwisselingsproces waarbij glucose uit de opgenomen voeding wordt
vrijgemaakt, houdt het glucosegehalte in het bloed altijd tussen 3 en 8 mmol/l
(70 tot
140 mg/dl). Bij het nuttigen van een maaltijd stijgt het insulinegehalte
om zo de opgenomen glucose vast te houden. Vervolgens daalt het langzaam
gedurende ongeveer 2 uur na de maaltijd. Gedurende de rest van de dag zorgt
een vergelijkbaar proces ervoor dat de glucosespiegel in het bloed niet onder
de normaalwaarde zakt, door de in de vetten en weefsels opgeslagen glucose
vrij te maken.
Diabetes
Diabetes is de naam van de ziekte waarbij onvoldoende of helemaal geen insuline meer geproduceerd wordt en het insulineniveau dus niet afgestemd is op het glucoseniveau uit het voedsel.
Bij type 1 diabetes produceert de alvleesklier helemaal geen insuline meer,
een vitaal hormoon dat het lichaam helpt glucose op te nemen in de cel en deze
zo van energie te voorzien. Iemand met diabetes moet zichzelf in dat geval
insuline toedienen met een insulinepen of via een insulinepomp.
Type 2 diabetes is een metabole stoornis waarbij het lichaam niet in staat
is voldoende insuline te produceren of het normaal te gebruiken. Voor de behandeling
van type 2 diabetes wordt vaak een combinatie voorgeschreven van een dieet,
lichaamsbeweging, geneesmiddelen voor orale inname en, in bepaalde gevallen,
toediening van insuline. Uit onderzoek is gebleken dat zwaarlijvigheid en overgewicht
risicofactoren kunnen zijn die de ontwikkeling van type 2 diabetes in de hand
kunnen werken. Insulinepompen worden met succes gebruikt bij de behandeling
van patiënten met type 2 diabetes bij wie insuline moet worden toegediend
en die tot nu toe weinig controle hadden over hun glucosespiegel.
Zonder toediening van een aangepaste hoeveelheid insuline is een mens met diabetes niet in staat energie uit zijn voeding te halen, noch zijn glucosepeil in evenwicht te houden. Een slechte controle van de bloedglucosespiegel kan echter tot ernstige complicaties leiden, zoals hypoglykemie (te lage bloedglucosespiegel) of hyperglykemie (te hoge bloedglucosespiegel), die op hun beurt kunnen leiden tot keto-acidose, wat zonder behandeling coma en zelfs de dood kan veroorzaken Diabetes is overigens de belangrijkste oorzaak van blindheid, nierinsufficiëntie en amputatie, en speelt een essentiële rol in de ontwikkeling van hart- en vaatziekten en zenuwbeschadigingen.
Mensen met een risico om type 1 diabetes te ontwikkelen
Er is geen enkele methode bekend om type 1 diabetes te voorkomen.
Type 1 diabetes komt even vaak voor bij mannen als bij vrouwen. De ziekte treedt
op op jonge leeftijd. Mensen met familieleden die al aan diabetes lijden, lopen
meer risico om diabetes te ontwikkelen.
Een goede controle van type 1 diabetes is van essentieel belang om complicaties
van de ziekte te beperken of uit te stellen.
Mensen met een risico om type 2 diabetes te ontwikkelen
Type 2 diabetes wordt gewoonlijk in verband gebracht met:
- zwaarlijvigheid (de meeste mensen met type 2 diabetes hebben overgewicht)
- gebrek aan lichaamsbeweging
- een voorgeschiedenis van diabetes in de familie
- een hoge bloeddruk en een hoog cholesterolgehalte
- verminderde tolerantie voor glucose
- de leeftijd - de gemiddelde leeftijd bij diagnose van type 2 diabetes ligt boven de 50 jaar
- vrouwen met diabetes tijdens hun zwangerschap (zwangerschapsdiabetes genoemd) lopen meer risico om later diabetes te ontwikkelen.
Type 2 diabetes voorkomen
Uit onderzoek in Europa en elders (1,2) is gebleken dat veranderingen in de levensstijl type 2 diabetes bij risicopersonen kunnen voorkomen of uitstellen. In deze studies waren personen opgenomen met een verminderde tolerantie voor glucose (eveneens bekend onder de naam prediabetes) en andere risicokenmerken (zoals zwaarlijvigheid, gebrek aan lichaamsbeweging, hoge bloeddruk en hoog cholesterolgehalte) voor het ontwikkelen van diabetes.
Veranderingen in de levenswijze zijn onder meer:
een dieet en een matig intensieve lichaamsbeweging (bijvoorbeeld elke week
2 ½ uur wandelen). Tijdens
studies waarin dit onderzocht werd - deze hebben 3 tot 6 jaar geduurd -, daalde
de ontwikkeling van diabetes voor beide geslachten en voor alle leeftijdsgroepen,
rassen en bevolkingssgroepen met 40%, om uiteindelijk zelfs een vermindering
met 60% te bereiken.
Studies hebben ook aangetoond dat geneesmiddelen diabetes bij bepaalde bevolkingsgroepen
kunnen voorkomen.
Uit de studies buiten Europa (onderzoeken naar preventie voor mensen met een
hoog risico op diabetes) is gebleken dat het risico om diabetes te ontwikkelen
bij mensen die werden behandeld met een geneesmiddel dat de molecule metformine
bevat, met 31% is gedaald. Een behandeling met een geneesmiddel met metformine
was efficiënter bij jongere mensen met een ruim overgewicht (25-40 jaar
oud en 22-36 kg overgewicht) en minder efficiënt bij oudere mensen met
een kleiner overgewicht.
De diagnose “diabetes”
Het stellen van de diagnose voor elk type diabetes is eenvoudig: er wordt een bloedmonster afgenomen om de glucosespiegel (suiker in het bloed) te meten, op een willekeurig ogenblik of na inname van een glucoseoplossing. De twee belangrijkste tests om het bestaan van problemen met de glucosespiegel te meten zijn de rechtstreekse meting van de bloedglucosespiegel op een nuchtere maag en meting van het vermogen van het lichaam om overtollige suikers te verwerken na het drinken van een drankje met een hoog glucosegehalte. Er kunnen nog andere tests worden uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de persoonlijke schema's van schommelingen in de bloedglucosespiegel:
Nuchtere bloedglucosespiegel
De meest duidelijke aanwijzing voor het stellen van de diagnose “diabetes” is
een hoge bloedglucosespiegel bij een nuchtere maag (niets eten na middernacht).
Een waarde van meer dan 7 mmol/l of 126 mg/dl bij minstens twee gelegenheden
toont duidelijk aan dat de persoon diabetes heeft. Mensen zonder diabetes vertonen
nuchter een waarde rond de 3,8 tot 6,1 mmol/l of rond de 70 tot 110 mg/dl.
Orale test van glucosetolerantie
Een orale test van glucosetolerantie kan bij de arts of in een analyse-laboratorium
worden uitgevoerd. De proefpersoon begint met nuchtere maag (geen enkele
voeding of drank behalve water gedurende minstens 10 uur maar niet langer
dan 16 uur). De bloedglucosespiegel wordt een eerste maal gemeten, en vervolgens
drinkt de persoon een suikeroplossing (75 gram glucose of 100 gram voor zwangere
vrouwen). Er wordt een bloedmonster genomen
30 minuten, een uur, twee uur
en drie uur na het drinken van de glucoseoplossing.
Uw arts zal u misschien adviseren een Continuous Glucose Monitoring System (CGMS) te gebruiken om de schommelingen van uw glucosespiegel gedurende verscheidene dagen onafgebroken te volgen. Met dit systeem kan de glucosespiegel van de patiënt tijdens zijn gewone dagelijkse bezigheden continu worden geregistreerd. De gegevens worden vervolgens op een computer overgezet voor analyse en interpretatie. Deze informatie kan leiden tot een beter inzicht in de persoonlijke schema's van de patiënten en tot een efficiëntere behandeling van hun diabetes. Een gemiddelde meetperiode duurt 2 tot 3 dagen. Dit volstaat om het profiel van de glucosespiegel van de patiënt volledig in kaart te brengen.
1 : Prevention of type 2 diabetes mellitus by changes
in lifestyle among subjects with impaired glucose tolerance; Tuomilhetto J
et al, New England Journal of Medicine 344: 1343-1350, 2001
2: Reduction in the evidence of type 2 diabetes with life style intervention
or metformin; Diabetes Prevention Research Group; New England Journal of Medicine
22:623 - 634, 1999
